Levend in een tijd van actie, efficiëntie, effectiviteit en het moeten behalen van succes en resultaten. Soms wordt ik er moe van en heb ik behoefte aan stilte, dan trek ik graag naar buiten om te wandelen, of ga ik zo maar ergens zitten. Op zo'n moment, bladerend in wat oude schrijfsels vond ik dit gedicht. Daardoor besefte ik dat ik dat vroeger ook al deed, mijzelf terugtrekken in de natuur om weer op te laden. Ook al denk ik dat ik in de loop van de tijd veel veranderd ben, blijkbaar blijven sommige dingen toch hetzelfde.

Ik deel het graag met je en vraag me af: 'Hoe kom jij tot stilte?' 

 

Bij de Rotte

Drie ganzen en een koppel eenden.
Een eiland in de zon.
De weerspiegeling van bomen in het water.
En de roep van een ekster.

Het verre geluid van een vliegtuig.
Een mees die nog zingt.
En over de golfslag van het water,
Klinkt het geplons van een eend.

De visser die doodstil daar zit.
En heel de dag nog niets gevangen heeft.
Schrikt wakker,
Als de zon achter de wolken verdwijnt.

Het gras is nog groen.
Maar ’t blad wordt al geler.
En over dit alles,
Schijnt nog steeds de zon.

Nu ruist nog het riet.
Maar straks zal het kraken.
’t Is herfst,
Maar de winter komt spoedig weerom.

(oktober 1979)


Verstilling

Zittend aan het water kan een mens verstillen. Zitten en niets doen, alleen kijken en luisteren. En mijmeren misschien, maar niet te veel want dan verdwijnt de magie van het moment. Dit gedicht is voor mij als een schilderij, het schildert een beeld, een mentaal beeld, een herinnering. Maar een herinnering die –voor mij- universeel is. Het is geschreven in 1979, het jaar dat mijn oudste zoon geboren is. Hij is nu 37 jaar oud.

Het verbaast me nu dat ik daar toen was op die plek, want de plek die in het gedicht beschreven wordt is in de gemeente Bleiswijk bij de Rottemeren. En daar woonde ik toen al niet meer, ik woonde in Schiebroek een wijk van Rotterdam. Maar ik kwam er graag, in mijn jeugd liep ik daar veel rond in het recreatiegebied zoals dat toen genoemd werd. Ik liep daar veel rond en verbond mij met de natuur. Met een verrekijker bestudeerde ik de vogels, Petersons-vogelgids in mijn tas. Nog steeds vind ik dat de beste vogelgids. Ik kende elk pad en elke boom, de vogelnesten, de stille plekken.

Het was mijn manier om stil te worden, stil in mijn hoofd want mijn lijf was meestal actief. Ik wandelde, week van de paden af en ontwikkelde een techniek om door dicht struikgewas te lopen zonder (al te veel) te blijven haken.

Ik kwam er in elk seizoen en bij alle weersomstanigheden. Zo herinner ik me een storm waarbij het water over de Rottedijk geblazen werd. En ik werd er bijna afgeblazen van die dijk. Door die storm werd de nodige schade in het dorp veroorzaakt, hij blies bijvoorbeeld het dak van een schooltje. Ik was op de Rottedijk en genoot van de storm, de kracht van de wind en van het water.

Maar er waren ook andere momenten, zoals het moment van dit gedicht. Dan zat of wandelde ik daar en het werd stil. Stil om mij heen en stil in mijzelf. Dan ontstond een verstild beeld in mij. Zoals dat van de visser die de hele dag nog niets gevangen heeft, maar daar niets om geeft. Want ook hij komt niet voor de vis, hij komt voor de stilte en de rust. Het geluid van eenden en in de verte het geblaf van een hond.

Meer