Aadal bij Berlicum klein

Verstilling
Drie ganzen en een koppel eenden
Een eiland in de zon
De weerspiegeling van bomen in het water
En de roep van een ekster

Het verre geluid van een vliegtuig
Een mees die nog zingt
En over de golfslag van het water
Klinkt het geplons van een eend

De visser die doodstil daar zit
En heel de dag nog niets gevangen heeft
Schrikt wakker
Als de zon achter de wolken verdwijnt

Het gras is nog groen
Maar ’t blad wordt al geler
En over dit alles
Schijnt nog steeds de zon

Nu ruist nog het riet
Maar straks zal het kraken
’t Is herfst
Maar de winter komt spoedig weerom

HV (oktober 1979)

Zittend aan het water kan een mens verstillen. Zitten en niets doen, alleen kijken en luisteren. En mijmeren misschien, maar niet te veel want dan verdwijnt de magie van het moment. Dit gedicht is voor mij als een schilderij, het schildert een beeld, een mentaal beeld, een herinnering. Maar een herinnering die –voor mij- universeel is. Het is geschreven in 1979, het jaar dat mijn oudste zoon geboren is.

Ik kwam er graag op die plek langs het water, in mijn jeugd liep ik daar veel rond en voelde mij verbonden met de natuur. Met een verrekijker bestudeerde ik de vogels, Petersons-vogelgids in mijn tas. Nog steeds vind ik dat de beste vogelgids. Ik kende elk pad en elke boom, de vogelnesten, de stille plekken.

Het was toen al mijn manier om stil te worden, stil in mijn hoofd want mijn lijf was meestal actief. Ik wandelde, week van de paden af en ontwikkelde een techniek om door dicht struikgewas te lopen zonder (al te veel) te blijven haken.

Ik kwam er in elk seizoen en bij alle weersomstanigheden. Zo herinner ik me een storm waarbij het water over de dijk geblazen werd. En ik werd er bijna afgeblazen, van die dijk. Door die storm werd de nodige schade in het dorp veroorzaakt, hij blies bijvoorbeeld het dak van een schoolgebouw. Ik was op de dijk en genoot van de storm, de kracht van de wind en van het water.

Maar er waren ook andere momenten, zoals het moment van dit gedicht. Dan zat of wandelde ik daar en het werd stil. Het werd stil om mij heen en stil in mijzelf. Dan ontstond een verstild beeld in mij. Zoals dat van de visser die de hele dag nog niets gevangen heeft, maar daar niets om geeft. Want hij komt niet om vis te vangen, maar voor de stilte en de rust die nog worden versterkt door het geluid van eenden en in de verte het geblaf van een hond.

Waar en hoe vind jij je rust?